Dwellandscapes


Woonlandschappen blijken los van de verschillende verschijningsvormen vier overkoepelende kenmerken hebben: Woonlandschappen zijn altijd gebieden waarin landschap en woning een symbiotische relatie aangaan. Woonlandschappen zijn gebaseerd op één totaalconcept dat refereert aan een specifiek landschap of landschappelijk begrip. Woonlandschappen kennen een suggestie van oneindigheid. Tot slot speelt in woonlandschappen een bepaalde mate van collectiviteit een belangrijke rol.
In een woonlandschap staat elke woning in direct contact met de omgeving. Dit resulteert in een wisselwerking waarbij het landschap de woningen vormt en de woningen op hun beurt het landschap vormen. Deze symbiotische relatie kan op verschillende manier ontstaan.
In gebieden met een dichtheid van minder dan 12 vrijstaande woningen per hectare hebben woningen veelal een schaal en verspreiding die de relatie met het landschap vanzelf voldoende waarborgt. De woningen zijn volledig omringd door het landschap zodat kan worden volstaan met een traditioneel woningtype. In woonlandschappen waar de woningen in hogere dichtheden worden gerealiseerd, moet er echter een speciale woningtypologie ontwikkeld worden om de relatie tussen woning en landschap tot stand te brengen.
Centraal in elk woonlandschap staat de land(schapp)elijke referentie. De wijken worden als landschap herkend doordat ze verwijzen naar een begrip dat met een specifiek landschap geassocieerd wordt. Deze referentie kan veelzijdig zijn. Er bestaan immers veel verschillende landschappen waarnaar verwezen kan worden. Bovendien is het begrip landschap ook zelf aan verandering onderhevig.
Ongeacht de landschappelijke referentie waarvoor gekozen is, zal deze in alle gevallen dominant moeten zijn omdat het de leidraad vormt voor de inrichting van de woonomgeving. Dat maakt woonlandschappen kwetsbaar omdat, wanneer die leidraad niet volledig wordt gevolgd, de beoogde (totaal)beleving verdwijnt en het woonlandschap ophoudt te bestaan.
Landschap is in essentie eindeloos. Woonlandschappen zijn dat eveneens, tenminste, die suggestie wordt gewekt. Er is, hoe klein een woonlandschap ook is, altijd de indruk dat het deel uitmaakt van een weefsel dat zich grenzeloos uitstrekt. Hierin ligt het grootste verschil met de Europese stad waarin veel wijken en stadsdelen georganiseerd zijn als een verzameling duidelijk gedefinieerde en begrensde ruimtes. Hoewel straten en pleinen in een fijnmazig netwerk met elkaar verbonden zijn, vormt elk toch een eigen ruimtelijke eenheid. In een woonlandschap daarentegen is de buitenruimte een groot continuüm met een informele, niet hiërarchische vlakverdeling zonder begin en einde.

Deze tekst komt uit een onderzoek van Harmen van de Wal over bestaande woonlandschappen. redactie Alfred Bekkers